Op deze Pagina kan u al het aangeplante plantgoed en de omschrijving ervan opzoeken per zone. Ook enkele bijzonder planten die spontaan zijn gegroeid kan je hier terug vinden onder Spontaan.  Het plantgoed is in de winter van 2021 door de RLVA gesubsidiëert en aangeplant.

Het onderhoud van het plantgoed gebeurd door de eigenaar van de grond. De bijen worden gehouden door een lokale imker. Honing daarvan is te koop in de weidestraat te Zottegem.

(een echte lekkernij als ik het mag zeggen 🙂 )

 

Zone 1 HAKHOUTZONE

is een hakhoutzone. Dat wil zeggen dat alle bomen hier om de zoveel jaar gedeeltelijk gekapt worden. (zie beheersplan)

HAAGBEUK

HAAGBEUK

 

Haagbeuk kan je herkennen aan zijn dubbelgezaagde verspreidstaande bladeren. De stam heeft een wat grillige vorm, waardoor deze gespierd lijkt. Het is een middelhoge boom die 15 tot 25 m hoog kan worden. Meestal vind je hem in de nevenetage.

Habitat:
Haagbeuk groeit van nature op voedselrijke, lemige, zandige of licht kleiige, bij voorkeur humeuze bodems. De soort gedijt op zuur, neutraal tot kalkrijk substraat. Op wat warmere, beschutte standplaatsen kan ze als middelgrote boom weelderig groeien in de schaduw van boomsoorten zoals eik en beuk, maar onder zich sluitende beukenkronen kan ze zich maar heel beperkt handhaven. Qua vochtbehoefte mijdt ze extremen. Het meest florissant vindt men haagbeuk in gemengde loofbossen van het eiken-haagbeukenbos. In hoeverre dat door vegetatiekundigen naar haagbeuk genoemde bostype overal natuurlijk is, is echter zeer de vraag. Haagbeuk is zowat de laatste van de als inheems beschouwde boomsoorten die hier na de laatste ijstijd op eigen kracht is geraakt. Door het traditionele hakhout- en middelhoutbeheer werd de soort bevoordeeld, vooral ten koste van beuk. In de hakhoutlaag van vooral de wat meer warmteminnende hellingbossen werd haagbeuk een van de belangrijkere, zoniet de belangrijkste soort. Buiten het bos vindt men ze vaak langs holle wegen en in houtkanten.

 

GLADDE IEP

GLADDE IEP

De gladde iep of veldiep (Ulmus minor, synoniem: Ulmus carpinifolia) is een boom uit de iepenfamilie (Ulmaceae), die van nature voorkomt van Europa tot en met Zuidwest-Azië. De boom kan tot 30 m hoog worden. Ulmus minor 'Suberosa' is de kurkiep met opvallende kurklijsten op de takken.
De gladde iep heeft een rechte stam en een dichte kroon met bochtige en zware takken en geeft veel wortelopslag.

De schors is grijsbruin en heeft lange, diepe verticale groeven en dikke richels. De takken zijn voorzien van verticale barsten.

De Gladde iep heeft bleekbruine, slanke, onbehaarde twijgen en eivormige knoppen. De knoppen zijn donkerrood en behaard.

De bladeren zijn elliptisch tot eirond en worden 6 tot 8 cm lang. Ze hebben een scheve bladvoet, een toegespitste top en zijn dubbelgezaagd. Aan de onderkant komen heel vaak kleine gallen voor. De bladsteel is zachtbehaard en ongeveer 0,5 cm lang. De bovenzijde van het blad is glanzend groen. De oksels van de nerven zijn behaard.

De Gladde iep heeft kleine, rode bloemen met witte stempels en rode helmhokjes. De bloeiwijze is een hoofdje. Deze verschijnen voordat de bladeren uitlopen. De vruchten zijn gevleugelde nootjes, die omringd zijn door een doorschijnende, elliptische vleugel. Het zaad zit dicht bij de inkeping. Aan de top is de vleugel ingesneden tot aan het nootje.

ZOMEREIK

ZOMEREIK

De zomereik (Quercus robur) is een zeer lang levende, Europese, hardhout leverende boom. De bladeren van de zomereik verteren moeilijk wat zijn invloed heeft op de strooisellaag in het bos.

De eik heeft zich sinds de laatste ijstijd (Weichselien) vanuit Zuid-Spanje, Zuid-Italië en het zuiden van de Balkan naar het noorden over Europa verspreid. De Nederlandse en Belgische autochtone eiken komen oorspronkelijk uit Zuid-Spanje en Zuid-Italië. Daarnaast zijn er in Nederland en België ook veel eiken afkomstig uit verschillende andere gebieden aangeplant.
De eik is historisch een van de dominante soorten in het West-Europese bos. Je zou verwachten dat, wanneer je een bos op zijn beloop laat, de eik zijn positie kan bewaren. Dit blijkt echter niet zo te zijn. Eiken hebben licht nodig om te ontkiemen en op te groeien tot een boom (het is een uitgesproken lichtminnende boomsoort). In een 'natuurlijk' bos zonder grote grazers is de concurrentie voor licht in het nadeel van de eik. Schaduwverdragende soorten als beuk en haagbeuk zijn beter in staat om die gaten te dichten.

In een natuurlijke wildernis met grote grazers (rund, paard, herten, eventueel wisent en eland) bestaat een bos uit een boomgroep omgeven door bosranden van struweel. Dat struweel, bestaande uit sleedoorn, braam, meidoorn en roos, is in eerste instantie boomloos. Eiken worden hoofdzakelijk door de gaai en de bosmuis verspreid. De gaai zorgt voor transport op lange afstand (tot enkele kilometers ver), terwijl de bosmuis vooral zorgt voor verspreiding van de eikels binnen het bos (tot meer dan 50 m). Indien ze beschermd zijn tegen de grazers, kan de eik er opgroeien tot een boom en is er een begin van een bos. In dergelijke begraasde gebieden is de eik door deze hulp en door zijn krachtige wortelstelsel in het voordeel ten opzichte van andere boomsoorten.

 

DE BOSKERS

BOSKERS

De Boskers is van nature een warmteminnende boom die niet alleen in lichtrijke omstandigheden groeit, maar bijna even goed in de halfschaduw. Het is een boomsoort van vochthoudende, maar niet natte, tamelijk voedselrijke, humeuze bodems. Het liefst groeit zoete kers op lemige, luchtige en goed doorlatende, eerder neutrale gronden. Meestal vindt men de soort langs bosranden, dikwijls in (helling)bossen van het eiken- haagbeukentype. Daarnaast gedijt ze ook op voedselrijkere bodems in rivier- en beekdalbossen. Omdat ze snoeien slecht verdraagt, groeit de soort slechts uitzonderlijk in hagen. Wel vindt men ze tamelijk veel in houtkanten. Zoete kers wordt vooral in recente bosaanplantingen geregeld gebruikt.

De boom heeft voor dieren eetbare vruchten.

GEWONE VOGELKERS

VOGELKERS


 

De gewone vogelkers (Prunus padus) is een boom uit de rozenfamilie (Rosaceae) die van nature voorkomt in de Benelux. De botanische naam Prunus is de Latijnse naam voor pruim en padus is het oude Latijnse woord voor de Italiaanse rivier Po. De boom heeft zijn wetenschappelijke soortaanduiding te danken aan het feit dat hij in groten getale aan de rivieroever van de Po voorkwam.

De gewone vogelkers komt voor op vochthoudende zand- en leemgrond op open terrein en langs bosranden. De gewone vogelkers bloeit begin mei met een sterk geurende, witte bloemenpracht. De vogelkers wordt door insecten bestoven. De vruchten zijn rijp in het najaar en worden door vogels en andere dieren graag gegeten. De plant vermeerdert zich niet alleen door zaad maar ook door wortelopslag.

ZOMERLINDE

ZOMERLINDE

De zomerlinde (Tilia platyphyllos) of grootbladige linde is een lindesoort die in Europa in het wild voorkomt, echter niet zo ver noordelijk als de winterlinde (Tilia cordata). Tevens wordt de soort gekweekt als sierboom. De hoogte kan 40 m bedragen. Lindes zijn populair doordat ze 's zomers een aangename geur verspreiden.

Botanische beschrijving
De kroon is hoog en kegelvormig. De takken groeien opwaarts. De twijgen zijn roodachtig groen en behaard.

De bladeren zijn rond of eirond met een toespitsing aan de top. De bladranden zijn scherpgezaagd. Zoals de naam aangeeft, zijn de bladeren een stuk groter dan die van de winterlinde: 6-15 cm × 6-15 cm groot. De bladsteel is harig en heeft een lengte van gemiddeld 3 cm. Het blad is aan de bovenzijde donkergroen en behaard; aan de onderzijde is het bleker en is voorzien van witte haartjes op de nerven.

De bloemen zijn geelachtig wit. Ze hangen in groepjes van drie of vier bij elkaar. Er is een witachtig groen schutblad van 5-12 cm lang.

De boom draagt ronde vruchten met een doorsnede van 1 cm of iets minder. Elke vrucht heeft drie tot vijf ribben en is dichtbedekt met haartjes.

WINTERLINDE

ZOMERLINDE

De winterlinde (Tilia cordata) of kleinbladige linde is een lindesoort die in Europa in het wild voorkomt. Tevens wordt hij als sier- of schaduwboom aangeplant in parken en tuinen.

De hoogte is circa 30 m. De boom heeft een hoge, dichte, koepelvormige kroon. De schors is aanvankelijk glad en grijs. Later wordt deze donkergrijs en gegroefd. De twijgen zijn rood van boven en olijfgroen van onderen. De knoppen zijn glad, glanzend donkerrood en eivormig.

De kleinbladige linde heeft hartvormige bladeren die 4-7 × 3-5 cm groot worden. De bladeren zijn voorzien van fijngezaagde randen, en een geelgroene of rozeachtige bladsteel van 3-5 cm lang. Het blad is aan de bovenzijde donker en glimmend groen. Aan de onderzijde is het blad bleker. In de oksels van de bladnerven zitten bosjes haartjes.

Bloemen

Doosvruchten
De bloemen zijn wit en vormen dichte groepjes van vier tot vijftien stuks. Er is een bleekgroen schutblad van circa 6 cm lang. De boom draagt circa 6 mm grote, bolvormige, niet-geribde doosvruchtjes.

Sinds 2000 is onderzoek gedaan naar een mogelijke rol van de winterlinde in de natuur. De linde blijkt in staat de verzuring van de toplaag in een bos tegen te gaan en voedingsstoffen en mineralen voor deze toplaag te behouden. Dit heeft te maken met het blad van de linde, dat veel makkelijker verteert dan het blad van de eik of de beuk en bovendien meer mineralen bevat. Hierdoor krijgen allerlei voorjaarsbloemen, zoals de witte klaverzuring, de bosanemoon en de daslook meer kans.[1]

Verbreiding van de winterlinde in West-Europa
Oorspronkelijk kwam de winterlinde ook voor in de Belgische natuurbossen. Pollendiagrammen, gebaseerd op stuifmeelvondsten in bijvoorbeeld moerassen, tonen aan dat de linde zelfs veel voorkwam. In de periode van het atlanticum was deze boom op redelijk voedselrijke plekken zelfs de dominante boom en niet de zomereik. Van dit Atlantische lindewoud kunnen we onder andere in Jutland in Denemarken en in het Woud van Białowieża in Polen nog stukjes terugvinden.

HAZELAAR

HAZELAAR

De hazelaar (Corylus avellana) is een in West-Europa inheemse struik uit de berkenfamilie (Betulaceae). De vrucht van de hazelaar is de hazelnoot, waarvan de kern eetbaar is.


De hazelaar is een "naaktbloeier": de plant bloeit als deze nog geen bladeren heeft. De hazelaar is voor de bestuiving afhankelijk van de wind. Aan de hazelaar zitten de mannelijke en de vrouwelijke bloeiwijzen apart. De mannelijke bloemen zitten in katjes en zijn al in de zomer aanwezig in de oksels van de bladeren. Ze gaan pas bloeien in januari. De vrouwelijke bloemen zitten met drie tot vier stuks in een klein knopje bij elkaar. Tijdens de bloei zijn alleen de rode stijlen met de stempels te zien.

De hazelaar wordt tot 6 m hoog en gaat pas na tien jaar vrucht dragen.

Hazelnoten
Naast de wilde hazelaar zijn er commercieel verbouwde hazelaars. Deze zijn geoptimaliseerd voor de productie van grote noten en voor noten met weinig vliezen. De rassen zijn ontstaan uit kruisingen tussen diverse soorten. Ook hazelnoten afkomstig van de lambertsnoot (C. maxima) hebben een grote economische waarde. De kleinere noten van de wilde hazelaar worden echter gewaardeerd om hun meer uitgesproken smaak.

Hazelnoten zijn een bron van vitamine E. Een handvol bevat ongeveer 50% van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid. Hiernaast bevatten ze veel energie (682 kcal per 100 gram), voornamelijk in de vorm van onverzadigde vetzuren.

GEWONE ELS

GEWONE ELS

De gewone els of Alnus glutinosa is inheems in vrijwel geheel Europa en groeit voornamelijk in vochtige gebieden. Uitgroeiend tot soms meerstammige forse boom. Een enkele keer wordt een volwassen exemplaar aangetroffen met een hoogte over de 20 m. Het verspreid staande blad wordt tot 10 cm groot, is eirond en heeft een afgeronde top. De gesteelde knoppen die grijsviolet van kleur zijn en het jonge blad voelen kleverig aan (glutinosa=kleverig). Vrouwelijke katjes ovaal en onopvallend, ± 0,5 cm lang en mannelijke katjes bruingeel, ± 7 cm lang. Elzenproppen verschijnen vanaf september en blijven lang aan de boom. De boom wortelt zich stevig en vrij diep en verdraagt verharding slecht. In landschappelijke omgeving vaak als vulhout gebruikt. Heeft geen problemen met grove snoei. Weinig gevoelig voor (zee)wind.

Duivels
Vroeger dacht men dat de boom bloedde, daardoor ontstond het bijgeloof dat hij de belichaming was van een boze geest: de Erlkönig (= ’elzenkoning’) bekend uit een oude Duitse legende. De mensen geloofden ook stellig dat er ‘s nachts rode vlammen rond het hout dansten. De els werd als een gevaarlijke en duivelse boom gezien: “Rood haar en elzenknoppen, daar kan de duivel zijn kousen mee stoppen..”, want ook personen met rood haar werden gewantrouwd, hetgeen blijkt uit de gezegden: rood haar en elzenhout zijn op geen goede grond gebouwd en: rode baard, duivels aard….Oordeel zelf…

Bescherming

BOSWILG 

BOSWILG

De groeivorm van de boswilg een open boom met opgaande takken. De soort blijft met een hoogte tot maximaal 14 meter relatief laag.

De jonge twijgen zijn grauwgroen en worden later diep roodbruin tot zwartachtig van kleur en zijn aanvankelijk bedekt met lange haren. De schors is bij jonge bomen glad en grijs met ruitenvormige verkurkte lenticellen. Wanneer de boom ouder wordt, wordt de schors grijs tot zwartbruin en krijgt deze brede groeven.

Op de twijgen bevinden zich geelbruine tot rode, eivormige knoppen. Ze zijn puntig en 3–4 mm lang. De knopschubben zijn in het begin nog kort behaard.

De verspreid staande bladeren van de boswilg verschijnen na de bloei en zijn meestal eirond met een spitse punt en golvende randen. Ze zijn 4-12 x 3–6 cm groot. Het vaak iets glanzende blad is donkergroen van boven met verzonken gele nerven en grijs donzig van onderen. De bladsteel is donkerrood en viltig. De grote steunblaadjes zijn half hartvormig.

De boswilg heeft katjes, die met lange behaarde schutbladen bedekt zijn. Ze bloeien in maart en april. De boswilg is tweehuizig. Mannelijke katjes zijn eivormig en aanvankelijk bedekt met zilverachtige haartjes. Daarna verschijnen gele meeldraden dicht opeen. Vrouwelijke katjes zijn slank, bleekgroen met witachtige, korte stijlen. De vrouwelijke katjes zijn langer dan de mannelijke. Zowel de mannelijke als de vrouwelijke bloemen hebben één honingklier. Door de vroege bloei is de boswilg voor bijen een aantrekkelijke voedselbron.

 

Zone 2 VIER HOOGSTAMMEN

Zone 2 maakt integraal deel uit van zone1. Ze bestaat uit 4 Bomen die mogen uitgroeien in hun natuurlijke vorm. Ze hebben dus een estetische maar bovenal een ecologische waarde.

 

HAAGBEUK, ZOMEREIK en WINTERLINDE

 

 (Zie boven)

 

FLADDERIEP

FLADDER IEP

De fladderiep of steeliep (Ulmus laevis) is een boom die behoort tot de iepenfamilie (Ulmaceae). De boom komt van nature voor in Europa tot Bulgarije en de Krim met een niet aansluitende populatie in de Kaukasus. De boom komt vooral voor langs de Wolga en de Donau in hardhoutooibossen. De boom kan goed tegen periodieke hoge waterstanden. Bomen van autochtone herkomst komen in Vlaanderen nog op een tiental plaatsen voor.[1] In Nederland zijn onder andere in Limburg, Twente, Achterhoek en Gelderse Vallei inheemse fladderiepen te vinden.

Stam van de fladderiep te Heure
Het 6-12 cm grote omgekeerd eironde tot ovale, toegespitste, veernervige blad heeft een scheve bladvoet en een dubbelgezaagde bladrand. De onderzijde van het blad is behaard. De steunblaadjes vallen af. De slank-kegelvormige bladknoppen zijn tweekleurig en gewimperd. De knopschubben hebben een licht- tot roodbruine kleur en een donkere rand. De schors schilfert al bij jonge bomen af.

De fladderiep bloeit in maart en april voor het verschijnen van de bladeren met tweeslachtige bloemen die aan lange stelen hangen. De bloemen hangen aan de twijgen als een bundeltje roodbruine klokjes die fladderen in de wind, vandaar de naam. De helmknoppen zijn rood. De vrucht is een gevleugeld, eirond, gewimperd nootje, dat in mei van de boom valt.

Fladderiepen zijn minder gevoelig voor de iepenziekte dan Gladde iepen of Ruwe iepen omdat de kever die de ziekte overbrengt de schors van deze twee laatst genoemde soorten prefereert.

 

In drassige grond ontwikkelen sommige fladderiepen plankwortels voor extra stevigheid

ZONE 3 KNOTWILGENRIJ

Zone 3 begrenst het perceel aan de noordelijke grens. Ze is een typisch Vlaams landschapselement en duidde ook vaak de perceelsgrens aan. In dit geval staat de bomenrij 3m van de grens om de aanpalende akkerbouw niet te hinderen. (zie beheersplan). Wilgen werden vaak gepoot in drassige gronden om deze in het voorjaar sneller droog te krijgen zodat het vee het land op kan of de landbouwgrond sneller kon gebruikt worden. Een volwassen wil kan tot 1000 liter water verdampen op één winderige warme dag. 

 

KNOTWILG

KNOTWILG

Een knotwilg is een wilg die enkele jaren na te zijn geplant, op circa 1,5 – 2 m hoogte wordt afgezaagd. Daarna wordt de boom iedere 3-6 jaar geknot door de nieuw uitgelopen takken weg te nemen. De verdikking aan de basis van de uitlopers vormt de knot waaraan de knotwilg zijn naam dankt.

De knotwilg wordt traditioneel op grote schaal in laaggelegen gebieden aangeplant langs wegen en sloten. Ze leverden geriefhout en verstevigden met hun wortels bermen en oevers. Om de in het landschap door de mens gevormde karakteristieke rijen met knotwilgen te behouden als landschapselement dienen deze met regelmaat te worden geknot, wat vaak gebeurt door vrijwilligers. Een knotwilg kan bij geregeld onderhoud zo'n honderd jaar oud worden.[1]

Aanplantingen waar de wilg op maximaal 50 cm hoogte geknot is worden grienden genoemd. De kweek van wilgentenen werd in vaak buitendijks aan de grote rivieren gelegen grienden op grote schaal bedreven. De takken die daar aan knotwilgen groeiden takken zijn waterloten van de katwilg. Ze werden gebruikt voor vlechtwerk en rijshout. De vraag daarnaar is door verminderd gebruik sterk afgenomen.

In de humusrijke knot van oudere bomen kunnen ook planten groeien en broeden soms eenden. Snelgroeiende planten als gewone vlier of lijsterbes kunnen zo een knotwilg laten splijten.

Overigens werden niet alleen wilgen als knotboom ingezet, men benutte onder meer els, es, populier en zomereik als knotboom.

 

ZONE 4

Zone 4 bevind zicht aan de oostzijde van het perceel en bestaat uit een bloemenweide met daarin 5 hoogstam fruitbomen. Deze zullen op bepaalde dagen openstaan voor het publiek om te plukken. Er is gekozen voor oude rassen. 

 

LA PAIX

LA PAIX

Appel La Paix (RGF)
La Paix RGF Appel | Ziekteresistente appelboom met lekkere appels)
Malus La Paix appelboom kopenLa Paix (RGF) appelbomen leveren sappige eetappels met een zoete smaak. Ze hebben een felrode schil en zijn knapperig van beet. Dankzij het aromatische vruchtvlees wordt deze appel ook vaak gebruikt in desserten.
Appel ‘La Paix’ geeft een goede opbrengst en is weinig gevoelig voor ziektes waardoor hij makkelijk is in onderhoud. Deze appelboom bloeit vanaf april en kan geoogst worden vanaf half september. Na het plukken kunnen de appels bewaard worden tot eind november. Deze appel is niet zelfbestuivend, maar kan wel dienen als goede bestuiver voor andere appelbomen.

Enkele goede bestuivers voor deze appelboom zijn Malus ‘James Grieve’, Malus ‘President Roulin’ en Malus ‘Alkmene’.

Voordelen appelboom La Paix
• Lekkere eet en dessertappel
• Goed resistent tegen ziektes (RGF)
• Goede bestuiver voor andere fruitbomen

JAMES GRIEVE

JAMES GRIEVE

De James Grieve is ontstaan uit een kruising van de Pott’s Sudling en de Cox Orange Pippin. De Schot James Grieve ontdekte hem en gaf aan de zaailing zijn eigen naam. De firma Dickson in Edinburgh nam de appel in 1890 in productie.

In de jaren 20 van de vorige eeuw kreeg de appel vele prijzen om zijn fijne, zachtzure smaak en mooie uiterlijk. Zo werd hij bekend en geliefd in heel Europa.

Een nadeel van de appel is dat hij niet tegen stoten kan. Het vervoeren van de appels moet heel voorzichtig gebeuren. Ook kan hij niet tegen hete droge zomers. Hij laat dan een deel van zijn appels vallen om zijn kracht aan de rest van de appels te geven.

De appel is vroeg rijp, al eind augustus kunnen de eerste geplukt worden. Eenmaal geplukt is hij maar enkele weken houdbaar: vers eten dus. Door de pluk te spreiden kan je tot eind september van de James Grieve genieten.

De boom is zeer vruchtbaar. Hij slaat geen jaar over. Hij is een goede bevruchter voor andere bomen.

Als hij te nat staat is hij gevoelig voor kanker. 

PRESIDENT ROULIN

PRESIDENT ROULIN

President Roulin (RGF) appel | Appelboom die goed bestand is tegen ziektes
President Roulin (RGF) is een grote gele appel die voorzien is van mooie roze strepen en goed bestand is tegen ziekten. De appel is geschikt als eetappel, maar wordt voornamelijk gebruikt om te stoven of te verwerken in desserts. Dit omwille van zijn zacht zurige smaak die elk dessert opfrist!

Appelboom ‘President Roulin’ is een vruchtbare appelboom die je kan oogsten in eind september. Om een maximale opbrengst te bekomen kan je deze boom laten bestuiven door Malus ‘La Paix’, Malus ‘James Grieve’ of Malus ‘Alkmene’. Je kan de appelen na de oogst bewaren tot in december.

Voordelen appelboom President Roulin
• Goed ziekteresistente appel (RGF)
• President Roulin is een goede stoof en dessert appel
• Licht zure verfrissende smaak

TREZEKE MEYERS

TREZEKE MEYERS

Trezeke Meyers is een middelgrote appel vermoedelijk uit Oost-Vlaanderen, groen gele kleur rood gekleurd aan zonnekant, stippels, wit tot roomkleurig vruchtvlees vast en sappig ,aangenamen smaak, eetappel en keukenappel, plukrijp eind september eerste helft oktober , te bewaren tot februari. De boom groeit tamelijk breed, goede groeikracht, weinig ziekte gevoelig.

Oorsprong - veredelaar : Vermoedelijk Oost-Vlaanderen - veredelaar onbekend.

Appelkleur : groen gele middelgrote appel die in de zomer mooi roodbruin kleurt aan zonnekant.

RENEITTE EVANGIL

RENEITTE EVANGIL

Variëteit die van Belgische oorsprong lijkt te zijn, beschreven als gevonden in Tielt in een kuur door Dr. VAN DER ESPT. Het werd in 1863 op de markt gebracht door Boomkwekerij Louis VAN HOUTTE in Gent. Het ras leek verloren te gaan in België en werd in 1976 opnieuw in onze collecties geïntroduceerd vanuit de National Fruit Trials, Faversham (VK). Lucas en Oberdieck noemen in het "Handbuch der Obstkunde" (1883) een andere maar onzekere oorsprong: gevonden in een boomgaard in Groot-Brittannië. Variëteit uitgebracht in 1997 door Gembloux.
Gele appel, lichtoranje gewassen, glad, middelgrote tot kleine maat, begin september tot oktober, dessertfruit vooral vanwege het fijne, zoetzure vruchtvlees en het uitzonderlijke aroma, ook geschikt om te koken, alle vormen, niet erg gevoelig voor schurft en voor echte meeldauw, matig vatbaar voor kanker, vatbaar voor moniliose.

 

ZONE 5 BIJENHEG

Zone 5 bevind zicht aan de zuidzijde van het perceel en bestaat uit een heg (natuurlijke haag)met daarin struikachtigen die hier geselecteerd zijn op vroege en late stuifmeelproductie voor wilde en gedomisticeerde bijen. Hoe de heg onderhouden wordt kan je lezen in het beheersplan.

 

MEIDOORN

MEIDOORN

Meidoorn wordt ook hagedoorn of heggedoorn genoemd. De naam kan op twee manieren verklaard worden. Ten eerste als haag of heg, omdat het werd gebruikt als omheining van een stuk grond. Hagel of haogel betekent ook vijandig gezind en mogelijk is dit te verklaren door het feit dat een meidoornhaag vijandig is tegen een indringer (vanwege de stekels).

De doornachtige heester is inheems in onder andere Europa en Siberie en is vanuit hier naar Noord Amerika gebracht waar hij het goed doet. Meidoorns behoren, net zoals de wilde lijsterbes, tot de rozen familie.

De eenstijlige meidoorn kan maximaal 10 meter worden. De meidoorns bloeien in mei of juni met geurende bloemen en aan de takken zitten doornen. De eenstijlige meidoorn is in ons land de meest voorkomende soort. Hij komt veel voor in de duinen aan de Noordzeekust en langs de grote rivieren. Hij houdt erg van licht. 

Van de meidoorns is het stuifmeel en het hout niet tot op de soort te determineren. Dat is wel zo met de zaden. De eenstijlige meidoorn lijkt het oudste te zijn. Op verschillende plaatsen zijn pitten van deze soort gevonden die gedateerd worden op 5000 jaar voor het begin van onze jaartelling.  Vlechthagen met meidoorns en andere inheemse struiken werden in de ijzertijd in Engeland gebruikt ter verdediging van nederzettingen, de Romeinen bouwden verdedigingswerken met verschillende rijen meidoornhagen. Door de uitvinding van prikkeldraad, eind 19e eeuw, werden veel houtwallen en hagen gekapt. Later moesten meidoornhagen het ontgelden omdat men dacht dat de meidoorn drager was van voor fruitbomen gevreesde bacterievuur, wat niet waar bleek te zijn. Meidoorn zou zelfs beschermend zijn tegen bacterievuur.

HONDSROOS

HONDSROOS

De hondsroos (Rosa canina) is een in de Benelux van nature voorkomende roos. De struik komt van nature voor in Europa, Noordwest-Afrika en West-Azië. In Noord-Amerika is de plant geïntroduceerd. 

De grote losse rechtopgaande struik wordt 1-4 meter hoog en heeft lange boogvormig overhangende takken. De bladeren en niet met klieren bezette takken zijn groen of soms roodachtig aangelopen. De stekels zijn grotendeels haakvormig gebogen en hebben een brede basis. De frisgroene, geurloze bladeren zijn oneven geveerd met vijf of zeven stevige en stijve blaadjes. De 1,8-4 cm lange en 1-2 cm brede, onbehaarde blaadjes zijn elliptisch met een afgeronde, soms wigvormige voet en een spitse top. De bladrand is enkelvoudig tot dubbel gezaagd. Op de tanden van de bladrand zitten vaak ongesteelde klieren en soms zitten op de hoofdnerf ook enkele klieren. De bladsteel en bladspil zijn meestal onbehaard, maar soms hebben ze enkele haartjes. Ze zijn vaak voorzien van kleine stekels.

De Hondsroos bloeit in juni en juli met 3,5 tot 4,5 centimeter grote, meestal lichtroze of soms witte bloemen, die met één tot tien bij elkaar staan. De bloemsteel is 1-2 cm lang. De kroonbladen zijn veel langer dan de kelkbladen. De kelkbladen zijn na de bloei teruggeslagen en vallen voordat de rozenbottel rijp is af. De stijlen staan vrij.

De rozenbottel is een vlezige bloembodem met daarin de nootjesachtige vruchten. De rozenbottel is ovaal of eirond, rood-oranje, en 1-2,5 cm lang en 1-1,8 cm breed. De bottelsteel is 1,5-2,5 cm lang. Het stijlkanaal is 0,4-0,9 mm groot. De zaden kunnen zich zonder bevruchting ontwikkelen.

Op de hondsroos komt de bedeguaargal voor, een woekering veroorzaakt door de galwesp Diplolepis rosae.

VUILBOOM

VUILBOOM

Vuilboom, sporkehout, bloedboom, pijlhout, Hondskers, Honzehout, sprokkel, Peggehout, duvelskeersj, houtjeshout, buskruithout, stinkboom: allemaal verschillende namen voor dezelfde heester, verschillende namen die meestal samenhangen met het (vroegere) gebruik ervan. Voor de bijenhouder is vooral van belang dat de vuilboom bijna het gehele bijenseizoen dracht oplevert. Terwijl de besjes van een vorige bloei er nog steeds aan hangen, bloeit de vuilboom telkens weer opnieuw. Korfimkers gebruiken de takken als spijlhout.

De vuilboom kan ook door jezelf worden vermeerderd door zaaien. Het zaad moet je daarvoor wel eerst stratifiëren (= een aantal malen bevriezen en ontdooien) om kiemkrachtig te zijn/worden.

De plant is bestand tegen allerlei schimmels, en ook tegen strenge vorst. Bij een oudere vuilboom kan het voorkomen dat deze haast niet meer bloeit. Dat komt doordat de vuilboom bloeit op jong hout. Het is daarom aan te bevelen om de vuilboom regelmatig terug te snoeien, want dat levert telkens weer nieuwe scheuten op. Vanwege de snoeibestendigheid van de vuilboom wordt deze al van oudsher gebruikt als haagplant, windsingel of als bron voor houtskool.

Bloeiperiode: mei - september
Grootte: tot 5 meter

SLEEDOORN

SLEEDOORN

Sleedoorn is een uiterst variabele soort. Vermoedelijk is een groot deel van die variatie te wijten aan de mens, die de soort voortdurend poogde te veredelen en kruiste met andere Prunus- soorten. Sleedoorn groeit graag in lichte loofbossen (bv. in eiken-haagbeukenbos of beekdalbos) en langs bosranden. Het best gedijt de soort op wat beschutte maar lichtrijke standplaatsen. Meestal staat ze op een droge of matig vochtige, lemige of kleiige bodem. Daarnaast vindt men ze soms op leem- of kleihoudend zand. Sleedoorn is een soort van zwak zure tot basische bodems. Het is een echte pionierssoort, die via uitlopers aanpalende, extensief gebruikte grazige terreinen kan koloniseren, wat tot struweelvorming kan leiden. Door haar vermogen om uit te stoelen is het een geschikte soort om gronden vast te leggen en erosie tegen te gaan. Vermoedelijk werd ze om die reden aangeplant in bermen en op dijken en hellingen. Sleedoorn werd vroeger veel aangeplant in hagen en houtkanten met een veekerende functie. Ook werd ze rond boerderijen gekweekt als haagplantsoen. Dat verklaart waarom ze, ook nu nog, vaak sterk aanwezig is in lijnvormige landschapselementen, vaak op een vrij grote afstand van het dichtstbijzijnde bos.
et overwegend Europese areaal van sleedoorn omvat heel West- en Midden-Europa. In het noorden reikt het areaal tot Zuid-Zweden, in het zuidwesten tot Midden-Spanje en in het zuidoosten tot de Kaukasus. Via Oost-Europa loopt het areaal door tot Noord-Kazachstan. Ook in delen van Klein-Azië, in Noord-Iran en in Noord-Afrika is de soort inheems. In Noord- Amerika en Nieuw-Zeeland is sleedoorn ingeburgerd. De soort komt verspreid over heel België voor.

Verspreiding in Vlaanderen
In Vlaanderen is sleedoorn globaal zeer algemeen. Op de zuurdere en/of armere bodems van de Kempen en de Vlaamse Zandstreek is de soort echter minder algemeen. Op de meer kalkrijke leembodems komt de struik nog het meest voor. Uit specifiek onderzoek aan autochtone bomen en struiken (MAES et al. 2006) is gebleken dat het verspreidingspatroon van ‘wilde’ sleedoorns aanzienlijk minder dens is in de Kempen en in de Vlaamse Zandstreek: de vindplaatsen zijn daar vrijwel beperkt tot beekdalbosjes.

 

 Bloemenweide

Bloemenzeide De bloemenweide is in het voorjaar 2022 ingezaaid met enkel inheemse bloemensoorten. We kozen bewust voor een optisch minder bloemrijke mengeling. Waarom? Omdat vele rijke bebloemde zaadmengsels vele exoten bevatten. Deze zijn voor onze inheemse fauna nauwelijks van waarde. Vele inheemse wilde bijen en insekten zijn gespecialiseerd op bepaalde inheemse planten. Dus ook al is het voor ons niet zo'n bloemrijk mengsel, voor de insekten is het een festijn.

 

 Spontaan opgekomen planten. (wordt aangevuld)

 

Related Articles