Eerst en vooral: ik vind het ook heel erg wat er gebeurd is. Tenslotte heb ik zeven hele goede klanten, kennissen, ja, zelfs vrienden verloren, met wie ik heel vaak na een rondje op de schietbaan nog iets ging drinken. Daarom wil ik aan de familieleden en kennissen van de slachtoffers hier aanwezig, mijn diepste medeleven betuigen. En daarom zal ik de gedenkplaat die er bij de Delhaize komt, voor minstens de helft betalen en desnoods helemaal. Ik wil benadrukken dat ik dat niet doe uit een soort misplaatst schuldgevoel, maar het is voor Bart, Wesley, Pieter, Bert, Jan, Dirk en Johan. God hebbe hun ziel. Dit gezegd zijnde: ik versta heel goed dat ge ne zondenbok nodig hebt. En dat ge daarbij allemaal naar mij kijkt, � la bonheur. Ge wilt ook niet weten dat Hitler maar ne gewone mens was. Ge gelooft liever dat hij een monster was en als ge zoudt kunnen, ge geeft hem bokkenpootjes, hoorns en nen asem die stinkt naar zwavel. Dan moet ge niet kijken naar hoe ge zelf in elkaar zit of naar uw eigen verantwoordelijkheid. Maar ge hebt gedacht: we geven d er enen alle schuld en daarmee zijn wij  d ervan af. Zo gemakkelijk zal  t niet zijn. En feitelijk is  t wel ironisch dat ze Hitler tot zoiets Joods als ne zondenbok gemaakt hebben. Enfin, d er waren eigenlijk twee bokken. Den enen keelden ze en den anderen stuurden ze de woestijn in en daarmee waren de Isra�lieten van hun verantwoordelijkheid af. En ge wilt met mij hetzelfde doen? Ge gaat van verder moeten komen. Ik ben niet dood zoals Hitler en ik blijf niet weg, zoals dat tweede schaap. Ge kent mij allemaal als Seth van de wapenwinkel. Die zaak heb ik in enkele jaren vanuit het niets opgebouwd en ondertussen is Wapenhandel Villijn een begrip in de streek. Ik ben overigens ook de voorzitter van schietclub  Niet geschoten is altijd mis waarvan sommigen onder u lid zijn. Ik kijk naar niemand. En ik weet, ik ben een gemakkelijk slachtoffer. Er gebeurt ergens een schietpartij en het ligt direct aan de wapenhandelaars. En het ziet er niet goed uit. Alle gebruikte wapens heb ik verkocht, alle daders of slachtoffers waren vaste klanten, meer nog: ik kende ze persoonlijk. Voor hulder kan het dus niet anders of zonder mijn wapenhandel was het niet gebeurd. En misschien hebt ge gelijk. Misschien praat ik mijzelf aan de galg vandaag, of om in de wapenterminologie te blijven: misschien schiet ik mijzelf in de voet. Bon. Laat ik beginnen met iets over mijzelf te vertellen en misschien denkt ge bij uzelf: waarom is dat nodig? Maar ge zult zien dat het ergens heen leidt. Ik heb al gezegd dat iedereen mij kent als Seth, maar mijn ouders noemden mij Hephaestos. Hephaestos Villijn dus, en ik zie sommigen van kleur verschieten. Het is niet erg. Ik vind het zelf ook een verschrikkelijke naam. Vroeger had ik haar zo rost als koper. En mijn ouders waren zot van Griekse mythologie. Ik heb nog een zuster die Andromeda heet. Maar toen ik geboren ben, waar zaten die met hun gedachten? Hebben ze in de wieg gekeken en dan gezegd: ja, wat we nu in elkaar geschoten hebben, dat trekt op Hephaestos, de lelijkste rosten van de hele Olympus? Het zou mij niet verwonderen. Als ik in de spiegel kijk, geloof ik ook niet wat ik zie. Scheve tanden, varkensogen, vlezige kwabben van wangen en worstenlippen, pijltjes grijs haar waar geen model in te krijgen is, sproeten, een moedervlek op mijn voorhoofd waar Gorbatsjov jaloers op zou zijn, ... Ik kan erin komen dat ge lacht. Als ik dan ook nog een keer blijk te manken, tja, dan is Quasimodo niet ver weg, h� meneer? Gans mijn lagere school ging het over vuurtoren vanhier en vuurtoren van ginder en lelijke rosten, Quasimodo. Op den duur trekt ge u die opmerkingen niet meer aan.  t Middelbaar was andere koek. En het begon direct op de eerste schooldag. We moesten ons allemaal voorstellen, van voren in de klas. Als het aan mijnen toer is, krijgt Johan daar toch de slappe lach, maar echt, niet kunnen blijven recht zitten op zijne stoel. Binst dat hij zit te hikken komt het er hortend en stotend uit, ik hoor het nog:  zo ne lelijke rosten hebben wij nog nie gehad had had had . Gans die klas begint daar toch te lachen, te gieren, te brullen, mee te zingen. Zelfs die leraar moest zich wreed inhouden, misschien kent ge hem: Jan Vergote. En ik sta daar en het is precies alsof ze mijn broek afgetrokken hebben. Het ging van kwaad naar erger. In mijn klas was er niemand die het voor mij opnam. Genen enen. Zelfs de leraars lachten met mij, enen in het bijzonder. Dirk Vanneste. Het was pedagogisch niet verantwoord om die voor een klas te zetten. Hij gaf geschiedenis en in  t tweede jaar ging het over de krieken en de rozijnen. En we zouden het hebben over de mieten en de zagen. Leraars en flauwe woordspelingen. We kwamen bij Hera en Zeus en hun geweldige huwelijk. Die onnozelaar van geschiedenis kende mijn ouders, enfin, ze kwamen wel een keer op dezelfde feestjes en hij wist dat het er bij ons thuis niet altijd even gezellig aan toe ging. En weet ge wat hij zegt?  Daar weete gij alles van, h� Hephaestos? Nogal treiterig, ge weet hoe leraars zijn. Wat moest ik daarop zeggen? Zeus en Hera als de ouders van de lelijke Hephaistos en hunne kleinen die mankt door toedoen van zijn vader. Ik was het jaar  d ervoor zogezegd met mijne fiets gevallen, maar Vanneste wist hoe de vork aan de steel hing. Mijn ouders waren wreed aan  t ruziemaken. Ik hoorde de bloempotten, kandelaars en schuiven tegen de muur kletteren en ineens schreeuwt mijn moeder. Ik schiet gelijk ne zot die slaapkamer binnen. Mijn moeder ligt op de grond, mijn vader heeft ne zilveren kandelaar in zijn handen en staat op het punt hare kop in te slaan. Het volgende dat ik weet is dat ik in de kliniek lig. Ze zeggen dat mijn pa mij van den trap gesmeten heeft. Ik heb verschillende breuken, een hersenschudding en mijnen enkel is helemaal kapot. Ik heb nooit meer normaal kunnen stappen. Ge vraagt u voorzeker af wat dat hier allemaal met die schietpartij in de Delhaize te maken heeft. Nog een ogenblikske geduld. Kijk, ik ga er geen geheim van maken: Dirk Vanneste is in den Delhaize doodgeschoten en Jan Vergote ook, de twee leraren die van mijn leven een hel gemaakt hebben. En Wesley, Bart, Pieter, Bert en Johan hebben mij in  t middelbaar geduveld. Ook zij hebben in den Delhaize het leven gelaten. Spijt mij dat? Ik kan niet zeggen dat ik daar kapot van ben. Wilt dat zeggen dat ik er iets mee te maken heb? Natuurlijk niet. Het ballistisch onderzoek, de getuigen, alles wijst erop dat ze naar mekaar geschoten hebben. Ik was zelf niet in die winkel, ik heb een waterdicht alibi. Ja, het is waar, het is toevallig dat net die gasten betrokken zijn en net die leraars. En het is ook toevallig dat het met mijn marchandise allemaal gebeurd is. Maar ge moet nu niet onmiddellijk mijn rekening maken. Een plus een is niet altijd twee, maar soms vijf of zeven. Mijn winkel in Kluisbergen bestaat dit jaar 6 jaar. Toen ik hier toekwam, was ik dertig jaar weg geweest. Het was rap duidelijk dat niemand mij hier nog kende. Wat een ander haarkleurke, een bril en veertig kilo met ne mens kunnen doen. En ik had mijne naam laten veranderen. Mijn ouders zouden mij niet heel mijn leven bij mijn pietje hebben. Een van mijn eerste vaste klanten was Wesley. Feitelijk is  t ironisch dat degene die het meeste gedaan heeft om mij kapot te krijgen, ook het meeste gedaan heeft om van mijn wapenhandel een succes te maken. Hij had schrik van alles en iedereen. Ik heb niet veel moeite moeten doen om hem wat wapens aan de hand te doen en om hem te motiveren om te leren schieten. Hij heeft dan zijn maten aangebracht als leden. Ik had al rap door dat onder het laagske vernis van hun vriendschap, Jan, Bart, Pieter, Bert, Johan, Dirk en Wesley elkaar niet honderd procent vertrouwden. Ik ga niet ontkennen dat ik hun achterdocht wat aangewakkerd heb. En weet ge wat zo goed werkt? Een buurtinformatienetwerk. Ik heb dat hier in Kluisbergen opgericht. Ge doet dat schijnbaar voor de veiligheid, maar de leden jaagt ge de stuipen op het lijf. Wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart, staat in den Bijbel. Wesley deed sebiet mee en hoe meer hij  d erbij betrokken was, hoe meer dat da laagske vernis afgeschraapt werd. En van de moment dat de anderen het wisten, konden ze niet rap genoeg ingeschreven zijn. Dat heeft zijn eigen versterkt. Hun wapens werden zwaarder en zwaarder, tot antitankwapens toe. Ik vraag u: wie van u heeft er hier al ooit een keer nen tank van dicht gezien, laat staan dat de plaatselijke criminele middenstand over zulk gerief beschikt? Wesley is de trigger geweest voor de wapenwedloop van Kluisbergen. Kocht hij ne Kalasjnikov, ja, dan moest Bart of Bert of Jan er ook enen hebben en ik moest tegen Wesley maar zeggen dat Pieter eraan dacht om een granaatwerper te kopen of hij trok zijne portemonnaie open. In het belang van mijn zaak heb ik diene wapenwedloop, die koude oorlog niet afgeremd, daar ben ik eerlijk in. Was dat niet gevaarlijk? In Amerika zeggen ze: a gun in the hands of bad man is a bad thing, a gun in the hands of a good man is a threat to no-one. Ik twijfel daaraan. Ne goeien is ook maar ne goeien tot op het moment dat hij er a bad thing mee doet en peist van ermee weg te geraken. Alleen: vanaf wanneer waren die mannen in den Delhaize bad men? Is het vanaf het punt dat ze dat pistool opgepakt hebben, is het vanaf het punt dat ze het op scherp gesteld hebben? Of op het moment dat ze effenaf schoten? Ik heb niet geschoten. Ik heb zelfs geen voet in die winkel gezet En misschien zegt ge: jamaar, gij hebt die wapens toch verkocht? En dan? Ik mag toch verkopen wat ik wil aan wie ik wil? En ze moeten het voor de veiligheid toch leren gebruiken? Ik heb niets gedaan dat tegen de wet is. Als ge mij de schuld geeft voor wat die anderen met dat geweer gedaan hebben, spant dan maar een rechtzaak aan tegen FN en tegen iedereen die daar werkt. Jamaar, werpt ge misschien tegen, ge weet toch wat er met een wapen kan gebeuren en waar het voor gebruikt kan worden? Ja, dan moet ge u ook vragen beginnen stellen bij de verkopers van keukenmessen, hamers, rattenvergif of snoepkes. Snoepkes? Ja, snoepkes. Ge zoudt ervan verschieten hoeveel kinderen er zich al in een snoepke verslikt hebben en er het leven bij ingeschoten zijn. Maar misschien waren ze al bad men voor de werkelijke schietpartij. Dan was  t bij  t plannen van den overval al geklonken. Dan lagen hun eigen achterdocht, hun eigen angsten, lusten en motieven om elkaar de loef af te steken aan de basis van de schietpartij. En toch zult ge zeggen: ge hebt ze zo bewerkt dat ze precies gedaan hebben wat ge wilde. Komaan zeg, echt? Kijk, Jan heeft op een bepaald moment, omdat hij krap bij kas zat, beslist om die overval op de Delhaize te plegen. Wie heeft hem verplicht? Goed, ik heb hem het verhaal verteld van die overval in Ronse, waarvan de dader nog altijd vrij rondloopt. En inderdaad, ik heb hem net hetzelfde wapen verkocht als waarmee die overval gepleegd is. En wat dan nog? Ieder ander zou met de informatie en de middelen die ik alleen maar verstrekt heb, nooit die overval plegen. Dat ligt aan Jan zelf. En tot op het moment dat hij schiet, is er nog niets gebeurd. Hij kan nog beslissen om het niet te doen. En die andere zes dan, heb ik daar iets mee te maken? Ik heb hen opgeroepen, dat is waar. Ik zag Jan door het dorp scheuren en ik dacht, daar komt niets goeds van. Dus heb ik het buurinformatienetwerk gealarmeerd. En ja, ik heb gezegd dat ze best iets meenamen ter zelfverdediging. Wie kon voorspellen dat ze alle zeven op elkaar zouden schieten? Ik had hen dat pistool aangeraden, toevallig hetzelfde als van die overval in Ronse. Ik had gezegd: als ge ooit opgeroepen wordt bij een gewapende overval of iets dergelijks, dan kunt ge best een Glock 19 nemen. Overvallers gebruiken er overigens zelf ook vaak eentje en dan strijdt ge met gelijke wapens. Bovendien, zei ik, als ge dan toch, tussen aanhalingstekens per ongeluk, vuurt en ge raakt een omstaander, dan is het achteraf veel moeilijker vast te stelllen uit welk pistool die kogel komt. Daar moet al een gespecialisserd ballistisch onderzoek aan te pas komen en dat geld heeft het gerecht meestal niet. Dat moet door hunne kop geschoten zijn. Hoe ze dan allemaal perfect synchroon gevuurd hebben als ware het een olympische discipline, dat is mij ook een raadsel. Feit is dat ze daar alle zeven lagen. Feit is ook dat ik niet geschoten heb, dat ik hen niet verplicht heb, dat ik er ook niet kan aan doen dat ze, met wat ik geleverd heb aan verhalen en materiaal, precies dat gedaan hebben. En waarom in de eerste plaats zou ik zo een tragedie gewild hebben? Zeg mij dat een keer. Wraak, zult ge antwoorden, voor het gepest. Waarschijnlijk hebt ge gelijk. Maar wie heeft er in den tijd met die zeven meegelopen, meegelachen, hen niet tegengehouden? Is  t er hier iemand die kan zeggen: ik; ik heb het voor Hepha�stos opgenomen. Genen enen, zeg ik u.  t Is uw eigen fout dat er in dit dorp zulke figuren omhoog kruipen en ik zal nog verder gaan. Ook de schietpartij zelf is uw eigen schuld. Stel dat ge gelijk hebt en dat ik hier alle touwtjes in handen had, dan heb ik gewerkt met materiaal dat er al was: uw wufte, vermolmde, zieke, kleinburgerlijke, gemeentelijke mentaliteit, de jaloezie, de achterdocht, het niet kunnen verdragen dat nen anderen nen groteren heeft, de pure haat, het doorgedreven pesten eigenlijk. Dat heeft die schietpartij hier mogelijk gemaakt. En als ik het zo bekijk, is  t er hier maar een slachtoffer in heel die tragedie en dat ben ik, Hephaestos Villijn. Ne zondenbok, dat ben ik en juust gelijk als bij de Joden zijn t uw eigen fouten die ge op mij wilt laden. Weet ge wat? Die gedenkplaat h�, schrijft ze op uwen buik.